Strandzeilen Saubain
  S57 S363 S440
 
   
  01/10/13 :: Eindbalans EK Strandzeilen 2013 St. Peter-Ording
27/09/13 :: EK 2013 Sankt Peter-Ording -- UPDATE 27/09
30/06/13 :: JJ De Grave Cup 2013
 
 

Media

Op deze pagina vind je krantenartikels en interviews over strandzeilen. Deze lijst is nog niet volledig en zal binnekort nog aangevuld worden met de resterende artikels.

  



'Een aanloopje, een sprong en gáán!' - De Volkskrant 2005 (Nederland)


Op zoek naar een modern transportmiddel voor prins Maurits werd in België de strandzeilwagen uitgevonden. Vierhonderd jaar later wordt op het strand van Terschelling het EK gehouden.

Ze liggen erbij alsof de wind ze hard getroffen heeft. De neus in het zand, een wiel in de lucht. Een snelle blik roept herinneringen op aan het automobiel van Fred Flintstone. Maar nee, geen stenen tijdperk. En ook geen orkaan die de vehikels heeft neergeslagen. De zeilwagens liggen gewoon te wachten totdat ze aan de start mogen verschijnen. Een duwtje omhoog en hij staat. Een aanloopje, een sprong en gáán.

Terwijl de eilanders op Terschelling zondagochtend nog nergens te zien zijn en de konijnen in de duinen nog uit hun holen durven te komen, is het op het strand bij Paal 8 rond een uur of zeven een komen en gaan van zeilwagentjes en hun piloten. Stoere gebruinde koppen, stoppelbaardjes, meestal boven de veertig, slechts een enkele vrouw.

Ze zijn er vroeg bij, omdat het strandzeilen afhankelijk is van het getij. Van twee uur voor tot twee uur na eb kan er geracet worden. Bij Paal 8 – volgens kenners het mooiste zeilstrand ter wereld – is dat deze zondag dus vroeg. Tegen twaalven, het moment dat de golven de baan te smal zullen maken, moeten de dagwinnaars bekend zijn. De race tegen het water kan beginnen.

Er wordt gereden in de klassen 5 (de kleinste wagen), 3, 2 en Standart. Terwijl de piloten bij de eerste drie klassen vrij zijn in het gebruik van materialen en technische snufjes, zijn de Standart-rijders verplicht te voldoen aan vastgestelde normen. ‘De eerlijkste klasse’, vindt Jan Windels, een van de Standart-deelnemers uit België. ‘Hier geldt niet, wie het meest sleutelt en er het meeste geld in stopt, die wint.’

Windels, een vijftiger, rekent zichzelf tot de top van de Belgische strandzeilers. Sinds zijn jeugd is hij een fervent zeiler – zoals het gros van de strandzeilers – maar hij heeft altijd het idee gehad eens te gaan strandzeilen. Vijf jaar geleden kwam het er eindelijk van. ‘De snelheid leidt tot zoveel adrenaline, dat klepje staat constant open’, zegt hij, wijzend naar z’n hart.

‘Een zeiler gaat langzamer dan de wind, een strandzeiler daarentegen gaat twee tot drie keer sneller dan de wind. Bij perfecte omstandigheden kun je snelheden tot 120 km per uur bereiken. IJszeilen gaat nog sneller, misschien een volgende uitdaging.’

Hij kijkt vergenoegd rond naar de opkomende zon en de beukende golven. ‘Je bent één met de natuur, dat is ook geweldig.’

De Fransen en de Belgen voeren de boventoon in het deelnemersveld, ook als het erom gaat als eerste de finish te passeren. Een enkele Nederlander is te ontwaren. België telt ongeveer zestig wedstrijdrijders, Nederland misschien tien, terwijl er toch vier verenigingen zijn.

Hoe dat komt? ‘Het is historisch gegroeid’, aldus de Belg. Hij doelt op landgenoot Simon Stevin, die aan het eind van de zestiende eeuw de strandzeilwagen uitvond op zoek naar een modern militair transportmiddel voor prins Maurits. De Fransen gebruikten later de wagentjes om kandidaat-piloten te leren vliegen. Of Belgen misschien ook stoerder zijn dan de Nederlanders? Windels begint te lachen, maar houdt zijn mond. Even later zegt hij: ‘Nederlanders zijn goede zeilers, wij houden meer van dit soort fratsen.’

Zijn Belgische maten komen erbij staan. Er is iets mis met de vooras van de wagen van de jongste telg, nummer 57. Matthia Saubain (15) rijdt zijn eerste EK. Terwijl de oudere garde zich om zijn vehikel bekommert, vertelt hij trots over zijn passie. Als tienjarig ventje raakte hij in de ban van het strandzeilen nadat zijn zus hem had meegesleurd naar een open dag. Zijn vader reed als recreant.

‘Ik ben de uitzondering op de regel, want ik heb nooit gezeild. Dit geeft een kick. Omdat je laag op de grond ligt, beleef je de race als enorm snel.’ Bang is hij niet, natuurlijk niet, zijn blik blijft stoer.

Als nummer 57 weer gemaakt is, maken de Belgen zich op voor de race. Flitsende zonnebril op, helm op, overall tot boven toe dichtgeritst, en racen. Even later is alleen het geluid van klapperende zeilen en van het aantrekken van de touwen nog te horen. Wieltjes die opgelicht worden door de wind, het spattende zeewater dat aan het eind van de ochtend niet meer te ontwijken is.

Terwijl Saubain junior na dertig minuten rijden – het parcours is drie kilometer lang – in het achterveld eindigt, is pa Saubain trots. ‘Hij is drie van de vier Belgen voorgebleven, ook Jan Windels. De afgelopen jaren eindigde Matthia steeds honderden meters achter de groep, met deze nieuwe wagen zie je het resultaat. Maar je moet het leren op een ouwe bok.’

Wat maakt iemand tot een goede piloot? Windels, ook achterin geëindigd: ‘Je moet het strand kunnen lezen en van daaruit je zeilwagen goed trimmen. De bandenspanning, de stand van de wieltjes, een strak of een bol zeil, de hoogte van het zeil, het luistert allemaal erg nauw.’

Pa Saubain: ‘Er is een Fransman die een vod als zeil heeft. Hij trekt aan zijn touwtjes, en weg is hij. En hij wint, elke keer weer. Het is net als met het vliegen van de meeuwen. Ze doen het, maar je weet niet hoe ze het doen.’